Nederland

Van Transgenderwet naar zelfidentificatie: de wetgeving op een rij

Van de Transseksuelenwet uit 1985 tot de Transgenderwet van 2014 en het vastgelopen wetsvoorstel zelfidentificatie: een tijdlijn van de Nederlandse wetgeving over geslachtsregistratie.

Redactie Transtijd.nl
·
Gepubliceerd 13 oktober 2026
Illustratie bij: Van Transgenderwet naar zelfidentificatie: de wetgeving op een rij

Tot 2014 moest wie zijn geslachtsregistratie wilde laten aanpassen naar de rechter, zich laten steriliseren en een geslachtsaanpassende operatie ondergaan. Sindsdien volstaat een verklaring bij de gemeente, onderbouwd door een deskundige. Een wetsvoorstel wil ook die laatste drempel laten vervallen en de registratie baseren op een eigen verklaring alleen. Dat voorstel ligt al jaren te wachten in Den Haag. Een tijdlijn van wat er veranderde, wat bleef en waarom het vervolg vastloopt.

Voor 2014: een rechter, sterilisatie en een operatie als voorwaarde

Nederland regelde het wijzigen van de geslachtsregistratie op de geboorteakte voor het eerst bij wet in 1985. Die regeling, in de volksmond de Transseksuelenwet genoemd, stelde strenge voorwaarden. Wie zijn registratie wilde laten aanpassen, moest aantonen blijvend overtuigd te zijn tot het andere geslacht te behoren, moest zich zo veel mogelijk lichamelijk hebben aangepast aan dat andere geslacht, moest onvruchtbaar zijn gemaakt en mocht niet gehuwd zijn. Pas daarna kon de rechtbank, na een verzoekschriftprocedure, toestemming geven om de geboorteakte te wijzigen. Dertig jaar lang was dit de enige route. Vooral de sterilisatie-eis gold internationaal steeds vaker als een disproportionele ingreep in het lichaam van burgers, die weinig van doen had met de administratieve wijziging zelf, en kwam onder toenemende maatschappelijke en juridische druk te staan.

  • Blijvende overtuiging tot het andere geslacht te behoren
  • Lichamelijke aanpassing aan dat andere geslacht, voor zover medisch mogelijk en verantwoord
  • Onvruchtbaarheid (sterilisatie)
  • Een uitspraak van de rechtbank

De Transgenderwet van 2014: van rechtbank naar gemeentehuis

Op 1 juli 2014 trad de wet in werking die deze procedure fundamenteel veranderde: de Wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, in de praktijk aangeduid als de Transgenderwet. De sterilisatie-eis en de eis van een geslachtsaanpassende operatie verdwenen. Ook de tussenkomst van een rechter werd afgeschaft: voortaan kon de wijziging rechtstreeks bij de ambtenaar van de burgerlijke stand worden aangevraagd. Daarvoor in de plaats kwam een nieuwe voorwaarde: een deskundigenverklaring. Een arts of psycholoog moest schriftelijk verklaren dat de aanvrager de duurzame overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren, en dat die overtuiging weloverwogen tot stand is gekomen. De minimumleeftijd van zestien jaar bleef gehandhaafd; minderjarigen onder die leeftijd konden hun registratie niet via deze route wijzigen. Met de wet van 2014 verschoof Nederland van een model waarin de rechter en het lichaam van de aanvrager centraal stonden, naar een model waarin een onafhankelijke deskundige de duurzaamheid van de overtuiging beoordeelt.

De deskundigenverklaring: drempel of ingebouwde tijd nemen?

De deskundigenverklaring is sindsdien de enige inhoudelijke toets die resteert. Zij dient een dubbel doel: enerzijds de drempel voor transgender personen verlagen ten opzichte van de oude wet, anderzijds voorkomen dat de registratie wordt gewijzigd zonder dat daar een zorgvuldig en duurzaam proces aan voorafging. In die zin bouwt de wet van 2014 een vorm van tijd nemen in: niet de botte eis van een operatie, maar het oordeel van een onafhankelijke deskundige dat de overtuiging bestendig is. Belangenorganisaties hebben de verklaring vanaf het begin bekritiseerd. Hun bezwaar is niet dat er helemaal geen zorgvuldigheid zou moeten zijn, maar dat de huidige vorm een derde partij - een arts of psycholoog - een oordeel laat vellen over iemands eigen identiteit, terwijl de registratie volgens hen een administratieve aangelegenheid zou moeten zijn, vergelijkbaar met een naamswijziging. Die kritiek vormt de directe aanleiding voor het wetsvoorstel dat de deskundigenverklaring wil laten vervallen.

Het wetsvoorstel zelfidentificatie: eigen verklaring in plaats van deskundige

In 2020 bracht het ministerie van Justitie en Veiligheid, destijds onder verantwoordelijkheid van de minister voor Rechtsbescherming, een wetsvoorstel in internetconsultatie dat de deskundigenverklaring wil schrappen. In de voorgestelde opzet volstaat een eigen verklaring van de aanvrager bij de ambtenaar van de burgerlijke stand; een medisch of psychologisch oordeel is niet langer nodig. Om overhaaste beslissingen te voorkomen, is in eerdere versies van het voorstel gesproken over een bedenktermijn tussen het afleggen van de verklaring en de daadwerkelijke wijziging. Daarmee verschuift het zwaartepunt van een externe, deskundige toets naar een interne, procedurele waarborg: niet langer iemand anders die oordeelt over de duurzaamheid van de overtuiging, maar tijd die ingebouwd zit in de procedure zelf. Voorstanders noemen dit de logische vervolgstap na 2014: als de operatie- en sterilisatie-eis destijds als onnodig ingrijpend zijn geschrapt, zou ook de deskundigenverklaring overbodig zijn voor een zuiver administratieve handeling.

  • Geen deskundigenverklaring meer nodig
  • Een verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand volstaat
  • Mogelijk een bedenktermijn tussen verklaring en wijziging
  • De minimumleeftijd van zestien jaar blijft onderwerp van discussie

Advies van de Raad van State en de maatschappelijke discussie

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft over het wetsvoorstel geadviseerd en daarbij kritische kanttekeningen geplaatst, onder meer over de gevolgen voor de rechtszekerheid van derden en over situaties waarin het geregistreerde geslacht in de praktijk nog een rol speelt, zoals in de sport, in detentie of in de vrouwenopvang. Diezelfde vragen keren terug in het bredere maatschappelijke debat. Voorstanders van het wetsvoorstel wijzen op het zelfbeschikkingsrecht en op de ervaring dat de huidige procedure voor sommige transgender personen als vernederend wordt ervaren. Critici - onder wie vrouwenorganisaties, een deel van de medische beroepsgroep en ouders van jongeren met genderdysforie - wijzen erop dat het volledig laten vervallen van elke onafhankelijke toets ook risico's kent, juist voor jonge mensen die aan het begin van hun meerderjarigheid staan en bij wie de overtuiging nog niet per definitie bestendig hoeft te zijn. Die zorg sluit aan bij de voorzichtiger toon die de afgelopen jaren is ontstaan rond snelle, moeilijk terug te draaien stappen bij jongeren.

Van coalitieakkoord tot controversieel verklaard

Het kabinet Rutte IV nam het voornemen om de deskundigenverklaring te laten vervallen op in het coalitieakkoord van december 2021. Daarmee leek de weg vrij voor verdere parlementaire behandeling. In de praktijk liep het wetsvoorstel vertraging op en kwam het niet tot een plenaire behandeling. Toen het kabinet in de zomer van 2023 viel, plaatste de Tweede Kamer het wetsvoorstel op de lijst van controversiële onderwerpen. Dat betekent dat verdere behandeling wordt opgeschort totdat een nieuw kabinet is aangetreden en zich over het onderwerp heeft uitgesproken. Na de verkiezingen van november 2023 veranderde de politieke samenstelling van de Kamer, met meer fracties die terughoudend staan tegenover een snelle invoering van zelfidentificatie zonder onafhankelijke toets. Mede daardoor is het wetsvoorstel sindsdien niet opnieuw voortvarend ter hand genomen.

Waar de wetgeving nu staat

Op dit moment is de deskundigenverklaring nog altijd wettelijk vereist om de geslachtsregistratie te wijzigen; het wetsvoorstel zelfidentificatie heeft de eindstreep niet gehaald. Daarmee is de wetgeving sinds 2014 feitelijk niet veranderd, terwijl het debat erover al jaren wordt gevoerd. Dat levert een opmerkelijke paradox op: een wetgevingsproces dat zelf, via uitstel, kabinetsval en controversieelverklaring, een vorm van tijd nemen heeft georganiseerd die nooit zo bedoeld was. Voor wie de bredere ontwikkeling van transgenderwetgeving en -zorg in Nederland wil volgen, biedt de hub Nederland een overzicht van de stappen die wel en niet zijn gezet. Een vergelijkbaar beeld van vertraging en herziening keert terug in andere dossiers; zie daarvoor de andere artikelen op dit platform. Of het wetsvoorstel alsnog wordt aangenomen, in gewijzigde vorm terugkeert, of definitief van tafel gaat, is op het moment van schrijven nog niet te zeggen.

Bronnen

  1. Burgerlijk Wetboek Boek 1, artikel 28 (wijziging vermelding van het geslacht in de geboorteakte), in de versie zoals gewijzigd per 1 juli 2014.
  2. Wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor en de bevoegdheid ter zake van wijziging van de vermelding van het geslacht in de geboorteakte (de Transgenderwet), in werking per 1 juli 2014.
  3. Oorspronkelijke regeling vóór 2014: Wet van 24 april 1985 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, bekend als de Transseksuelenwet (vereiste onder meer sterilisatie, geslachtsaanpassende behandeling en een rechterlijke uitspraak).
  4. Internetconsultatie Wijziging geslachtsregistratie, Ministerie van Justitie en Veiligheid, 2020 (voorstel om de deskundigenverklaring te laten vervallen).
  5. Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het wetsvoorstel wijziging geslachtsregistratie.
  6. Coalitieakkoord 2021-2025 'Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst', kabinet Rutte IV (voornemen tot vereenvoudiging geslachtsregistratie).
  7. Overzicht van controversieel verklaarde onderwerpen, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2023.

Redactie Transtijd.nl

Onafhankelijke redactie die de geschiedenis, keerpunten en cijfers van het transgenderdebat met controleerbare bronnen in kaart brengt. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 13 oktober 2026.

Meer over ons →

Veelgestelde vragen

Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

Meer over Nederland