Cijfers door de tijd

Detransitie en spijt: wat de cijfers wel en niet laten zien

Hoeveel mensen krijgen spijt van transitie of detransitioneren? De bestaande cijfers uit Nederland, Zweden en het VK zeggen minder dan vaak gesteld wordt.

Redactie Transtijd.nl
·
Gepubliceerd 6 oktober 2026
Illustratie bij: Detransitie en spijt: wat de cijfers wel en niet laten zien

Hoeveel mensen die medisch transitioneren krijgen er later spijt van, en hoeveel keren daadwerkelijk op hun stappen terug? Het zijn vragen die telkens opduiken in het transgenderdebat, vaak met stellige percentages aan weerszijden, maar zelden met cijfers die uitleggen waar ze vandaan komen. Onderzoekers die het probleem grondig hebben bestudeerd, zoals de auteurs van de Cass Review, concluderen vooral dat de registratie van uitkomsten op lange termijn in de meeste landen gebrekkig is. Zonder duidelijke aantallen is elk standpunt over detransitie al snel net zo goed een aanname als een feit, in beide richtingen van het debat. Dit artikel zet op een rij welke cijfers er wel bestaan, uit welke onderzoeken ze komen, en waarom voorzichtigheid bij het interpreteren ervan nodig is.

Detransitie, desisteren en spijt: niet hetzelfde fenomeen

In publieke discussies worden de termen desisteren, detransitie en spijt vaak door elkaar gebruikt, maar ze beschrijven verschillende verschijnselen die om een andere manier van tellen vragen. Wie deze begrippen niet scheidt, komt al snel tot cijfers die meer verwarren dan verhelderen, doordat percentages van heel verschillende groepen naast elkaar worden gelegd alsof ze hetzelfde meten.

  • Desisteren: geen genderdysforie meer ervaren voordat er ooit medisch is ingegrepen, meestal op kinderleeftijd of in de vroege puberteit.
  • Detransitie: een sociale of medische transitie geheel of gedeeltelijk terugdraaien, om welke reden dan ook, ongeacht de huidige genderidentiteit.
  • Spijt: een persoonlijk oordeel over de gemaakte keuze, dat los kan staan van de vraag of iemand ook daadwerkelijk medisch terugkeert.

Waarom harde cijfers zo lastig te vinden zijn

Een belangrijke reden dat betrouwbare percentages ontbreken, is uitval uit onderzoek. Klinieken volgen patienten na afronding van de behandeling vaak niet systematisch, zeker niet wanneer iemand van zorgverlener wisselt, verhuist of in het buitenland verder behandeld wordt. De Cass Review wijdde hier in 2024 een groot deel van haar rapport aan: de Engelse genderidentiteitskliniek GIDS bleek nauwelijks gestructureerde lange-termijngegevens te hebben over wie later spijt kreeg, wie detransitioneerde en wie tevreden bleef over de gemaakte keuzes. Cass concludeerde dat dit gebrek aan opvolging het onmogelijk maakt om op populatieniveau te zeggen hoe vaak spijt voorkomt, en adviseerde systematische dataverzameling via langlopend vervolgonderzoek, juist omdat losse studies uit andere landen niet zomaar op de huidige Engelse populatie zijn te plakken.

Het Nederlandse cohort: lage spijt, maar een select gezelschap

De oudste follow-upcijfers over dit onderwerp komen uit Nederland zelf. In 2011 publiceerden de Vries en collega's in The Journal of Sexual Medicine de eerste resultaten van jongeren die onder het Dutch Protocol pubertijdremmers hadden gekregen. In 2014 volgde in het tijdschrift Pediatrics een vervolgstudie onder dezelfde groep, inmiddels jongvolwassen, na hormonen en in veel gevallen operaties. Bij geen van de vijfenvijftig deelnemers werd op het moment van de meting spijt van de transitie vastgesteld. Dat resultaat wordt vaak aangehaald als bewijs dat zorgvuldige diagnostiek tot weinig spijt leidt.

Belangrijk is wel wat dit cijfer niet zegt: het gaat om een kleine, langdurig begeleide groep die via een streng en langdurig selectieproces tot behandeling kwam, in een periode dat het aantal aanmeldingen bij genderklinieken nog veel lager lag dan nu en de samenstelling van die groep anders was. Of dezelfde uitkomst geldt voor de veel grotere en qua samenstelling veranderde groep verwijzingen van de afgelopen tien jaar, is met dit onderzoek niet te beantwoorden, en dat is precies het punt dat latere reviews benadrukken.

Spijt na operatie: het Amsterdamse vervolgonderzoek

Een ander veelgenoemd cijfer komt uit een analyse van het Amsterdamse genderteam, gepubliceerd door Wiepjes en collega's in 2018. Zij brachten de geschiedenis van de kliniek tussen 1972 en 2015 in kaart en vonden dat minder dan een procent van de mensen die een geslachtsbevestigende operatie hadden ondergaan, hier later spijt van rapporteerde bij de kliniek. Ook dit cijfer verdient nuance. Het gaat om mensen die het hele traject hadden doorlopen tot en met een operatie, vaak na jarenlange diagnostiek en volwassen op het moment van ingrijpen. Mensen die eerder in het traject afhaakten, van puberteitsremmers of hormonen terugkwamen zonder ooit aan een operatie toe te komen, of die spijt hadden maar dit niet meldden bij hun oorspronkelijke behandelaar, vallen buiten deze telling. Het cijfer zegt dus iets specifieks over spijt na chirurgie bij wie dat stadium daadwerkelijk bereikte en dit bovendien terugmeldde, niet over het totale aantal mensen dat ooit met enige vorm van transitie begon en daar geheel of gedeeltelijk op terugkwam.

Zweden: de SBU trekt de bewijsbasis in twijfel

Niet elk land trekt dezelfde conclusie uit vergelijkbare onzekerheid. Het Zweedse Statens beredning for medicinsk och social utvardering, afgekort SBU, beoordeelde in 2022 de wetenschappelijke onderbouwing van pubertijdremmers en kruishormonen bij jongeren met genderdysforie. De conclusie was dat de bewijskracht voor langetermijneffecten, inclusief de kans op latere spijt of detransitie, zeer laag is volgens de gangbare maatstaven voor medisch bewijs. Niet omdat onderzoek aantoont dat spijt vaak voorkomt, maar omdat de bestaande studies te klein, te kortlopend of methodologisch te zwak zijn om daar uitspraken over te doen. Deze conclusie was mede aanleiding voor Zweden om terughoudender te worden met medische behandeling van minderjarigen buiten onderzoeksverband en om in te zetten op psychologische begeleiding als eerste stap.

Finland: eerst praten, dan pas medisch ingrijpen

Finland trok via de medische richtlijnorganisatie COHERE in 2020 een vergelijkbare les. COHERE constateerde dat psychotherapie de eerstelijnsbehandeling moet zijn bij jongeren met genderdysforie, en dat medische behandeling met grote terughoudendheid en alleen in individuele, goed onderbouwde gevallen moet plaatsvinden. Een van de argumenten was opnieuw de onzekerheid over langetermijnuitkomsten: zolang niet bekend is hoeveel jongeren later spijt krijgen of detransitioneren, is voorzichtigheid geboden. De Finse richtlijn benadrukte bovendien dat spijt niet de enige uitkomst is die telt; ook onomkeerbare lichamelijke gevolgen van een behandeling wegen mee in de afweging, ook als iemand zelf geen spijt rapporteert.

Wat detransitioners zelf zeggen

Een losstaande lijn onderzoek kijkt niet naar klinische dossiers, maar vraagt detransitioners zelf naar hun redenen. Vandenbussche publiceerde in 2022 in het Journal of Homosexuality een online vragenlijststudie onder mensen die hadden gedetransitioneerd. Belangrijke kanttekening vooraf: het ging om een zelfselecterende groep die via internet werd geworven, dus de uitkomsten zeggen niets over hoe vaak detransitie voorkomt in de bredere populatie. Wat de studie wel laat zien, is dat de redenen voor detransitie uiteenlopen en zelden tot een enkele oorzaak zijn terug te voeren: sommige deelnemers noemden gezondheidsklachten of onvoldoende verbetering van hun klachten, anderen een verandering in hoe ze hun genderidentiteit beleefden, en weer anderen druk van familie, werk of omgeving. Dat beeld van meerdere, uiteenlopende routes naar detransitie past bij wat ook in klinische rapporten terugkomt: spijt en detransitie zijn geen eenduidig fenomeen met een vaste oorzaak, en daarmee ook geen fenomeen dat in een enkel percentage is te vangen zonder de onderliggende diversiteit te verliezen.

Wat de cijfers wel laten zien, en wat niet

Leg de bestaande bronnen naast elkaar, dan ontstaat geen eenduidig percentage, maar wel een herkenbaar patroon. In kleine, zorgvuldig gescreende en lang gevolgde cohorten uit Nederland wordt weinig spijt gerapporteerd op het moment van meten. In het bredere en inmiddels veel grotere bestand van mensen dat genderzorg doorloopt, bestaat vooralsnog geen vergelijkbaar systematisch vervolgonderzoek, en dat gat wordt door zowel Britse als Zweedse beoordelaars expliciet benoemd. Een laag percentage uit een select cohort van decennia geleden bewijst dus niet dat hetzelfde percentage nu nog opgaat, en een gebrek aan cijfers is evenmin bewijs voor een hoog percentage spijt. Dat betekent niet dat de vraag onbeantwoordbaar is, maar wel dat enkelvoudige percentages met voorzichtigheid moeten worden gelezen, en dat het vermelden van de bron en de onderzochte groep net zo belangrijk is als het getal zelf.

Wie op zoek is naar de bredere cijfers achter verwijzingen en wachttijden in de Nederlandse genderzorg, vindt een overzicht in de cijferhub van deze site. Voor meer duiding bij losse gebeurtenissen en bronnen uit dit dossier, zie het bredere artikelenoverzicht.

Bronnen

  1. Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report (Cass Review), NHS England.
  2. de Vries, A.L.C. et al. (2011). Puberty suppression in adolescents with gender identity disorder: a prospective follow-up study. The Journal of Sexual Medicine.
  3. de Vries, A.L.C. et al. (2014). Young Adult Psychological Outcome After Puberty Suppression and Gender Reassignment. Pediatrics.
  4. Wiepjes, C.M. et al. (2018). The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972-2015): Trends in Prevalence, Treatment, and Regrets. The Journal of Sexual Medicine.
  5. Statens beredning for medicinsk och social utvardering (SBU) (2022). Hormonbehandling vid konsdysfori hos unga: en systematisk oversikt.
  6. Council for Choices in Health Care in Finland (COHERE Finland) (2020). Medical treatment methods for dysphoria related to gender variance in minors: recommendation.
  7. Vandenbussche, E. (2022). Detransition-Related Needs and Support: A Cross-Sectional Online Survey. Journal of Homosexuality.

Redactie Transtijd.nl

Onafhankelijke redactie die de geschiedenis, keerpunten en cijfers van het transgenderdebat met controleerbare bronnen in kaart brengt. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 6 oktober 2026.

Meer over ons →

Veelgestelde vragen

Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

Meer over Cijfers door de tijd